Lift-etiquette

liftetiquetteEen lift is, net als een w.c., een kleine ruimte. Anders dan in een toilet kun je er echter met meerdere mensen verblijven. En daar waar je met meerdere mensen onder elkaar bent, heb je te maken met de ongeschreven regels van de omgangsvormen. Deze handleiding wil enkele handvatten geven aan deze, ten onrechte, nog steeds onderbelichte situatie.

Begroetingen

De manier waarop men een nieuwkomer gedag behoort te zeggen is van een aantal factoren afhankelijk. Zo kunnen bekenden en directe collega’s begroet worden met een eenvoudig “Moggû” of een specifieker “Goedemorgen, Jan-Freek”. Het is daarbij oké dat de begroeting bij een voller wordende lift steeds onverstaanbaarder gebromd of gemompeld wordt, omdat dan toch niet meer duidelijk is tegen wie het geuit wordt.

Gesprekken

Een lift wordt, net als een gang en een trap, onderverdeeld onder de verkeersruimten van een gebouw. Laat dit duidelijk zijn. Het voeren van een uitgebreid gesprek in een lift is daarom niet alleen on-praktisch, maar ook not done. Je informeert ook niet, staande midden in het trappenhuis, naar de gezondheid van de kat van je collega. Andere passerende kantoor- en flatgenoten hoeven dat allemaal niet te weten. Bovendien willen ze er gewoon langs.
Opmerkingen over de gesteldheid van het weer buiten de liftruimte kunnen nog wel door de beugel, zolang ze maar kort zijn. En overloze discussies over de liftmuziek zijn helemaal uit den boze.

Maximaal draagvermogen

Net als dat in speelfilms complete gesprekken in liften worden gevoerd, wordt de frequentie waarmee liftcabines spontaan neerstorten en ontploffen schromelijk overdreven. Het in de cabine aangegeven maximaal toelaatbare draagvermogen heeft een veiligheidsmarge die je zal doen duizelen en je moet wel heel a-etiquettale toeren uithalen in de beschikbare ruimte wil je dat gewicht halen. De toegang ontzeggen aan een corpulente medewerker is daarom niet nodig, behalve als je hem ervan verdenkt dat hij tijdens de rit gaat springen.

“Wat doet deze knop?”

Ik weet het, de interface van de hedendaagse liften nodigen uit tot experimenteren, maar probeer je nieuwsgierigheid te beteugelen. Je doet je medepassagiers echt geen plezier met een tussenstop bij elke verdieping en ook met het doorgeven van een valse melding aan de meldkamer maak je jezelf niet populair. Mocht je niet zeker van jezelf zijn of je jezelf in een dergelijke situatie in de hand kunt houden, neem dan een lijst door met de verklaring van de meest gangbare knopsymbolen, zodat de drang om het ter plekke uit te proberen niet meer zo aanwezig zal zijn.

De scheet

Bij een apparaat dat het vervoeren van personen in de vertikale richting tot doel heeft, zou men verwachten dat er rekening gehouden is met de fundamentele werking van het menselijk lichaam. Anders dan bij een auto kan er niet “even een raampje open”. En ondanks dat een wind zelfs door de veroorzaker als zeer onprettig ervaren wordt, blijkt in geen enkel liftcabine de capaciteit van de afzuiging afdoende te zijn voor de snelle afvoer van de stank.
Voel je dus in de besloten ruimte van een lift er één opkomen, probeer de wind dan niet in te houden. Dat lukt namelijk niet. Bovendien wordt de kans op een pruttelend of knetterend exemplaar alleen maar groter. Laat hem gewoon gaan en begin er niet over. Wat niet weet, wat niet deert.
Mocht je daarna een rood hoofd voelen opkomen, iets wat al even moeilijk te onderdrukken is als een wind, plaats dan een terloopse opmerking zoals: “Goh, vinden jullie het hier ook zo warm?” en schuif daarmee de schuld af op de prehistorische staat van de afzuiging. Het verdient niet beter.

Posted in Cursiefjes

Wolkenwereld

WolkenwereldDe eerste keer dat ik in de wolkenwereld verzeild raakte was dat per ongeluk, uiteraard. Ik materialiseerde in een wereld zonder vaste grond onder mijn voeten en hing gewichtloos tussen de mistflarden. Gelukkig kwam ik er snel genoeg achter hoe ik terug kon keren naar mijn eigen wereld, nog voordat de paniek echt toesloeg.

Mijn tweede uitstapje liet een tijdje op zich wachten. Ik ging ondertussen naar mijn werk, schreef aan mijn beleidsstuk, lunchte in een hoek van de kantine en hoorde hoe mijn collega’s het hadden over de reorganisaties. ’s Avonds keek ik in gezelschap van een magnetronmaaltijd naar het journaal. Stijgende huizenprijzen, rellen in een asielzoekerscentrum, oorlog in het Midden-Oosten. Ik had daarna vaak nog maar weinig zin om op te blijven voor een film of een boek. Ik had tijd nodig om mijn ontdekking van de nieuwe wereld te verwerken. Het vinden van een naam ervoor voelde als een onderdeel van het proces om het een plaatsje te geven. “Wolkenwereld” was eigenlijk een tijdelijke naam, een woord bedoeld als aanduiding voor de wereld achter de doorgang die ik voor mezelf kon gebruiken totdat ik een betere had gevonden. Maar van een betere is het nooit gekomen. Ondanks de lullige klank die het had, klonk het op een gegeven moment beter dan welke alternatieve naam ik ook kon bedenken. “Wolkenwereld” bleef het dus.
Het beleidsstuk waar ik maanden op gezwoegd had werd door mijn afdelingshoofd verworpen en elke dag keek ik meer uit naar de wereld waar ik, zwevend in de bijna tastbare nevelen, de omgeving naar eigen inzicht kon herscheppen. Door de afwezigheid van vaste grond onder mijn voeten was me voortbewegen niet mogelijk. Had ik bijvoorbeeld een stoel nodig, dan moest ik er niet naar op zoek gaan, maar er zelf eentje uit de wolkenmassa maken. Wilde ik een bijzettafeltje, dan schiep ik er één uit de nevelflarden met een paar bewegingen van mijn handen en wilde ik terug naar huis, dan was een cirkelende beweging van één arm al voldoende om een doorgang uit de wolken om me heen op te roepen.

Zo werkte het hier en ik was er gelukkig. Maar toch bleef het gevoel dat er iets miste knagen, dat mijn nieuwe wereld nóg perfecter kon. Toen is het echte experimenteren begonnen. Ik begon spullen mee te brengen uit mijn eigen wereld. Eerst scheerschuim. Dat leek nog het meest op de substantie waar de nevel in de Wolkenwereld uit bestond, dus meende ik dat het niet zo veel kwaad kon. Ik mengde, kneedde en probeerde nieuwe vormen uit. Om grotere dingen te kunnen maken nam ik een schepnet mee. Nog een bus scheerschuim. Een ventilator, op batterijen uiteraard. Ik denk dat het mis is gegaan bij de bus haarlak. Tijdens mijn voorlaatste bezoek had ik al het idee dat de wolkenplukken om me heen iets verder van me af hingen, dat de mist iets ijler was dan voorheen en de cirkel blauwe lucht boven me iets groter. De dag erop riep mijn afdelingshoofd me bij zich. Zonder veel omhaal vertelde hij me dat de afdeling moest inkrimpen. Ik zou nog een week kunnen blijven. Ik heb die week weinig meer gedaan. Toen ik genoeg uit mijn lethargie was geklommen, nam ik mijn schepnet en liet me in de doorgang zakken. De cirkel blauwe lucht was duidelijk groter geworden, de afstand tot de wolkensubstantie om me heen ook. Om precies te zijn iets meer dan een schepnet- en armlengte.
Ik merkte dat mijn paniek was verdwenen en langzaam over was gegaan in iets dat op berusting leek. Ook was ik mijn schepnet kwijt. Ik dacht aan hoe mijn bureau na het weekend leeg zou blijven. Ik dacht aan mensen die pas na maanden na hun dood in hun woning werden aangetroffen en kon niets anders doen dan kijken hoe de nevelplukken, vermengd met resten schuim en lak, zich langzaam maar zeker verder van me verwijderden, oplosten, net zo lang totdat alles om me heen een diepe kleur blauw zou zijn.

Posted in Korte verhalen

De fabel van de rups

FabelRupsEr was eens een rups die zijn bruine schoenen beu was. Elke ochtend opnieuw was het een hels karwei om ze allemaal aan te doen en tegen de tijd dat hij de laatste gestrikt had, was de zon al weer onder gegaan en kon hij ze allemaal weer uittrekken. Bovendien begon het leer op een aantal plekken vaal te worden. Het was dus tijd voor iets anders.

’Kijk eens,’ zei hij op een dag tegen zijn spiegel, ‘wat vind je hiervan?’
De spiegel keek toe hoe de rups zich in een coltrui wurmde.
‘Nou, als je mijn mening écht wilt,’ begon de spiegel.
Verder kwam hij niet, want op dat moment viel de rups om. Kronkelend probeerde hij zichzelf uit de trui te bevrijden, terwijl de mouwen zich als een cocon om hem heen wikkelden en de brede col langs zijn kop omhoog schoof.
De spiegel barstte zo hard in lachen uit, dat hij daadwerkelijk in honderden stukjes uiteen barstte.
De rups, intens verdrietig over het verlies van zijn spiegel, besloot dat truien toch niet zijn ding was en overleed aan de gevolgen van een hardnekkige polyester-allergie.

En de coltrui? Die leefde nog lang en gelukkig.

Posted in Korte verhalen

Ontbering van een dierentuin

De grote bruine beer zat met een glazige blik naar de voorbij trekkende bezoekers te staren. Zoals elke dag zat het dier midden op zijn eiland, roerloos, alleen van zijn plaats komend als het voedertijd was. Appels, knollen, wortels. En soms wat de bezoekers hem toewierpen.
De jongen vond dat de beer hier, in de dierentuin die zijn stad rijk was, niet thuis hoorde. Het dier hoorde niet een hele dag op zijn gat te zitten, wachtend totdat het eten hem werd toegeworpen. Een beer hoorde los, te rennen door het woud, te vissen en wortels te verzamelen.

Hij bezocht de dierentuin elke dag, maar hij had er elke dag minder plezier in. Toen de jongen weer een middag in de uitgebluste ogen van het kolossale dier had staan staren, had hij de knoop doorgehakt en was hij dezelfde nacht nog naar de dienstpoort aan de achterzijde van het park gegaan. De ketting was voor zijn kniptang geen probleem geweest, evenmin de onverlichte slingerpaadjes langs de nu lege of slapende hokken. Hij had hier overdags vaak genoeg rondgelopen en ook nu wist hij de weg naar het berenverblijf in één keer te vinden. Nadat hij de grendel had weggeschoven rammelde hij met de kniptang langs de tralies om de beer wakker te maken. Daarna verborg hij zich een eindje verderop achter een muurtje. De beer kwam al gauw tevoorschijn, eerst aarzelend, maar toen leek hij een geur op te vangen. In steeds snellere draf rende hij zijn vrijheid tegemoet.
De beer leek net als hij zijn weg door het park goed te kunnen vinden, maar opeens sloeg het dier linksaf en de jongen was hem kwijt. Even stond hij vertwijfeld in het schemerduister de weggetjes van de splitsing af te turen, toen hoorde hij een gekraak dat niet uit de richting kwam van het hek dat naar de vrijheid leidde.
De beer had het stalletje gevonden waar overdags de hotdogs en broodjes bal werden verkocht. Hij liep er naar toe. To bear or not to bear, dacht hij. That’s not a question. That’s a solid fact. In elk geval solide genoeg om zonder veel problemen de deur van de snacktent doormidden te hebben kunnen duwen. Voorzichtig wierp hij een blik naar binnen. De imposante rug met het kleine staartje onttrokken de vriezer die tegen de achterwand stond aan het zicht. De beer had zo te horen de kist open gebroken en deed zich nu tegoed aan de inhoud. Diepgevroren of niet, het dier liet het zich goed smaken en zelfs de stenen die hij tegen zijn achterwerk gooide weerhielden hem er niet van om ook aan de inhoud van de vitrines te beginnen.

Een tijdje bleef de jongen kijken naar het zich langzaam uitdijende lichaam, toen vertrok hij. Bij het verlaten van de dierentuin liet hij het hek op een kier staan, al had hij niet meer de illusie dat hij het dier ermee hielp. Ze zeiden dan wel dat je de natuur niet uit een dier kon halen, maar bij een beer leek de wil soms sterker te zijn dan de natuur. En als dat eenmaal zo was, dan leidde je de beer niet zomaar uit de tuin, laat staan er omheen.


Dit verhaal is voorgedragen in het Schrijverscafé Kunstkring Voorst.

Posted in Korte verhalen

Deurbel

DeurbelMijn deurbel heeft een lampje. Het was me nog nooit opgevallen, totdat het rode lichtje naast de drukknop op een avond opeens aan stond. Ik bekeek het oplichtende LED-je. Wat betekende het? Waren de batterijen bijna op? Ik drukte op de knop en hoorde in huis de deurbel overgaan. Dat was het dus niet. Vals alarm? Het lichtje was in elk geval uit gegaan.

Het lampje was in mijn hoofd niet uit gegaan. Ik had mijn jas opgehangen en was de woonkamer in gelopen terwijl ik me afvroeg wat het rode lampje bij de voordeur me duidelijk had willen maken. Tot nu toe had het jarenlang onopvallend zijn werk gedaan, zonder opzichtig lichtvertoon. Waarom nu dan opeens een rood lampje? Ik begreep dat, als ik antwoorden wilde krijgen, ik aan iemand de vraag moest stellen. Ik besloot dat dus te doen.
Dat bracht me bij het volgende probleem. Degene aan wie ik het beste de vraag kon stellen was degene die het dichtst bij de bron van mijn vraag zat. En dat was in deze situatie de deurbel. Maar hoe pakte je dat aan, een vraag stellen aan een elektronisch apparaat? Bovendien, deurbellen bestonden uit twee delen, een kastje met een drukknop, en een lampje, dat naast de voordeur hing en een kastje binnenshuis dat de gong bevatte en in mijn geval in een stopcontact onder de eettafel stak. Ik liep naar de achterkamer, schoof de stoelen aan de kant en kroop op handen en voeten onder de tafel naar het stopcontact. Het kastje met de gong leek me de beste plek om als eerste uit te proberen. Het was per slot van rekening het onderdeel van de deurbel dat geluid maakte.
Het lichtje in het kleine witte kastje voor me scheen me rood tegemoet. Ook dit onderdeel van de deurbel bevatte een LED-lampje, maar dat wist ik allang. Dit lichtje brandde namelijk altijd en gaf aan dat het elektronische belcircuit voorzien werd van een continue stroom aan elektriciteit en dat alles naar behoren werkte.
’Hallo, hm, deurbel,’ zei ik onzeker. Ik besefte hoe onhandig de afwezigheid van een naam was. ‘Hallo, deurbel. Ik zag dat er bij de voordeur een rood lichtje brandde, naast de belknop. Kun je me vertellen wat het betekent?’
‘En dat vraag je aan mij?’ klonk het sputterend. ‘Waarom kijk je niet gewoon in de handleiding? Heb je die überhaupt wel eens opengeslagen?’
‘Euh, nee,’ zei ik verbouwereerd. Ik probeerde me te herinneren waar ik de verpakking van het apparaat kon hebben gelaten. Had ik de handleiding ongelezen weggegooid? Ik kon me in elk geval niets herinneren over betekenissen van rood oplichtende LED-lampjes bij voordeuren.
‘Geintje,’ hoorde ik deurbel grinniken. ‘Handleidingen zijn zowat uitgestorven. Ze worden toch nooit gelezen. Tegenwoordig kom je alleen nog snelstartgidsen tegen die op de zijkant van het doosje passen. De rest moet zichzelf wijzen.’
Ik zag het LED-je even knipperen, alsof deurbel me een speelse knipoog schonk.
‘O,’ zei ik. ‘Ik vroeg het me af omdat ik het lampje nog nooit heb zien branden. Het lampje buiten, bedoel ik. Ik dacht dat er iets met de batterijen aan de hand was op zoiets.’
‘Je weet hoe een telefoonbeantwoorder werkt?’ onderbrak deurbel me. ‘Misschien is het een beetje van voor jouw tijd, maar het principe is hetzelfde als de werking van het LED-je op je smartphone. Wat betekent het als dat lichtje brandt? Nou?’
‘Dan heeft er iemand gebeld?’ probeerde ik. Terwijl mijn rug ongemakkelijk tegen het tafelblad drukte verschoof ik mijn pijnlijk wordende knieën.
‘Dan heeft er iemand een berichtje achtergelaten.’ Deurbel klonk zowaar triomfantelijk, alsof hij dolblij was eindelijk eens deze functionaliteit te kunnen vernoemen.
‘Er is dus vandaag iemand voor me aan de deur geweest? En hij heeft een bericht voor me achtergelaten?’ Ik staarde naar het rood opgloeiende puntje voor me. Er kwam nooit iemand bij me aan de deur. Het was al jaren geleden dat de familie was langsgekomen en sinds ik naar deze uithoek was verhuisd hadden mijn vrienden me niet meer bezocht. Het adres leek bovendien zo afgelegen te liggen dat zelfs collectanten en colporteurs me niet wisten te vinden.
‘Wel, niet direct een bericht,’ zei deurbel. ‘Ik mis daarvoor de voicemail-functionaliteit, maar ik kan …’
‘Wacht even.’
Ik trok deurbel uit het stopcontact en schoof mezelf onder de eettafel uit. In de keuken zette ik een kruk bij de aanrecht en stak deurbel in één van de vrije stopcontacten.
‘Zo, daar zijn we weer,’ zei ik. ‘Je had het over een bericht dat iemand voor me achtergelaten had.’
‘Ja, hmm.’ Stopcontact knipperde weer even met zijn LED-je. Het zag er deze keer niet uit als een jolige knipoog. ‘Er was vanmiddag inderdaad iemand aan de deur, iemand die drie keer heeft gebeld. En als iemand zo vaak op de bel drukt, wel, neem maar van mij aan, dan is het urgent.’
Ik had ondertussen een blikje bier uit de koelkast gepakt. De aanblik van deurbel die zich nu boven de aanrecht aan het elektriciteitsnet zat te laven had me dorstig gemaakt.
‘Hij komt nog een keer terug?’ vroeg ik voordat ik een slok nam.
‘Bij iemand die zo vasthoudend is? Reken maar dat die de volgende dag weer op je stoep staat, hoogst waarschijnlijk ook nog eens rond hetzelfde tijdstip.’
Perfect. Ik had de volgende dag pas in de namiddag wat op het programma, dus kon ik mijn bezoek ontvangen voordat ik de stad in moest.
‘Bedankt,’ zei ik. Ik trok deurbel uit het stopcontact en liep terug naar de eettafel.

Het was iemand van de pakketdienst. Ik had koffie gezet, maar de beste man moest er na de ontvangst van mijn handtekening meteen weer vandoor. Er wachtten nog een hoop andere mensen op hun pakketjes.
Ik zette mijn pakje ongeopend op de eettafel. Opeens was de behoefte de stoelen aan de kant te schuiven en onder de tafel te kruipen overweldigend, maar ik deed het niet. Anders dan gisteren leek een babbeltje met mijn elektronische deurbel nu opeens absurd.
Ik liep naar de keuken voor een schaar en een blikje bier en prees mezelf dat ik niet had toegegeven aan deze beschamende opwelling. Iets wat ik de dag ervoor wel had gedaan. Ik kalmeerde mezelf met de gedachte dat het altijd erger kon. Ik schold in ieder geval nog niet tegen het beeldscherm van mijn computer.


Dit verhaal is voorgedragen in het Schrijverscafé Kunstkring Voorst.

Posted in Korte verhalen Tagged with:

Getekend voor het leven

Dit is de eerste scene van het korte verhaal waarmee ik aan de Harland Awards van 2015 heb deelgenomen. Van de tweehonderd inzendingen eindigde dit verhaal op de dertiende plaats.


GetekendVoorHetLevenToen ik haar weer tegen kwam droeg ze een jurk. Een ogenblik was ik verbaasd dat ik haar na al die jaren zo snel herkend had. Op de middelbare school had ze altijd spijkerbroeken gedragen. Nooit jurken of rokken. Wel liep ze in die dagen altijd met sjaaltjes rond, iets wat ze van stewardessen had afgekeken. Ik zag geen sjaaltje. Van haar voornemen stewardess te worden was waarschijnlijk niets terecht gekomen.
Ik stak over, benieuwd of ze mij nog zou herkennen.

‘Weet jij hoe laat het is?’ vroeg ze.
Ik had al een tijdje bij haar in de buurt gestaan, zoekend naar een passende openingszin. Ze keek me vragend aan, zonder een zweem van herkenning. Ik dacht aan hoe we samen ons huiswerk hadden gemaakt, de muziek die we samen hadden beluisterd, hoe ze een keer een bloempje op mijn hand had getekend. Niets daarvan zag ik in haar blik terug. Ik was voor haar niet meer dan een toevallige passant.
Net toen ze haar aandacht voor me begon te verliezen en de vraag aan iemand anders leek te gaan willen stellen, iemand die haar niet zwijgend bleef aanstaren, stak ik mijn hand in mijn jaszak. Ik haalde een viltstift tevoorschijn. Nieuwsgierig keek ze hoe ik de dop er van af trok. Terwijl de alcoholdamp in mijn neus prikte tekende ik een rechthoek op mijn pols.
Ik zag haar blik onzeker worden. Snel maakte ik met een paar blokkerige cijfers de tekening af en hield mijn arm voor haar omhoog.
08:15
Secondelang staarde ze zwijgend naar de getallen op mijn pols. Toen betrok haar gezicht.
‘Denk je soms dat je leuk bent?’
Haar lichtbruine ogen schoten vuur en vertwijfeld liet ik mijn arm zakken.
‘Als je de tijd niet weet, dan mag je dat ook gewoon zeggen, hoor. Je had net zo goed “07:23” of “14:02” op kunnen schrijven. Of “Wie dit leest is gek”.’
Mopperend draaide ze zich om.
‘Idioot.’
Ik keek een ogenblik naar mijn pols, toen pakte ik haar schouder beet. Geschrokken, maar nog steeds met ogen vol vuur, draaide ze haar hoofd om. Dwingend hield ik mijn arm voor haar neus. Ik weerstond haar priemende blik totdat haar ogen zich onwillekeurig even naar de stiftstrepen hadden gedraaid.
Haar ogen werden groot.
Ik zag de vonk van herkenning.
08:16


Dit was de eerste scene van het korte verhaal waarmee ik aan de Harland Awards van 2015 heb deelgenomen. Het hele verhaal is verkrijgbaar op deze website in PDF- en EPUB-formaat. Gratis, mits je me laat weten wat je er van vond 😉

Posted in Korte verhalen Tagged with:

Hij doet niks, hoor

HijDoetNiksHoorToen ik een tijdje terug mijn ronde door het park deed lag er een man in het water.
Vreemd. Normaal dobberen er alleen eenden en andere watervogels in de centraal gelegen plas, tenminste, als ik er mijn wandeling doe, maar die dag lag er dus een volwassen man in de stadsvijver. Terwijl hij wild met zijn armen door het water maaide stuwden golfjes zijn hoed bij hem vandaan.
‘Help! Ik verdrink!’
Alle vijverbewoners waren op de kant geklommen en zaten daar onthutst naar de lawaaimaker te staren. Zolang er in het water zoveel misbaar werd gemaakt leek geen van de watervogels er zin in te hebben terug de vijver in te gaan. Het grasveldje zat vol met meerkoeten, snippen, futen, de eerder genoemde eenden en zelfs zwanen die ik er minder brutaal uit vond zien dan anders. Tussen hen in zat een hond, een grote Duitse herder, die, in tegenstelling tot de vogels om hem heen, niet onder de indruk leek van het luidruchtige waterballet. Zijn staart sloeg aritmisch tegen de grond en zijn tong hing op een gelukzalige manier uit zijn bek.
‘Hellup!’
Het hoofd van de man verdween even onder water. Ik ontdekte dat hij in één hand een riem vasthield, een smalle leren band die met het ander uiteinde aan de halsband van de hond vast zat.
Ik liep om de dicht opeengepakte groep vogels heen naar de oever toe en probeerde de riem die door het water zwiepte te pakken te krijgen. De eend waar mijn schoen tegen wreef liet een luid gesnater horen en ik kreeg van de zwanen kribbige blikken toegeworpen. Ook de hond had me eindelijk in de gaten gekregen. Hij had zijn kop iets gedraaid en keek me met half dichtgezakte ogen aan.
‘Kom dan,’ zei ik. Ik zakte iets door mijn knieën en klopte op mijn bovenbenen. ‘Kom dan.’
De hond bleef me aanstaren, maar reageerde niet. Ik dacht tenminste dat hij mij aanstaarde, maar het kon net zo goed zijn dat het beest recht door me heen keek naar iets dat zich toevallig net op dat moment tientallen meters achter me afspeelde.
Ik stond op en keek achter me. Het park was leeg. Het had gewaaid en het gras lag vol met afgevallen bladeren. Maar dat was niet het enige dat uit de bomen was gewaaid. Mijn oog viel op een tak die een eindje van me vandaan lag. Het was er één met een kort dik zijtakje, precies op de goede plek. Ik raapte het op, ontdeed het van wat overtollige bladeren en liep terug naar de groep vijverbewoners. Nauwkeurig mijn afstand tot het gevogelte bewarend haakte ik de tak achter de halsband en trok. Ik zette een voet naar achter en trok iets harder. Er bewoog niets. De tong van de hond hing nog steeds tevreden uit zijn bek. Alleen zijn gehijg had iets gorgelends gekregen. Ik waagde een korte ruk en zag dat het beest één achterpoot in een reflex zijwaarts plaatste, maar deze ook meteen weer terugtrok.
Ondertussen was de heftigheid van het geplons en het geschreeuw in de vijver minder geworden. De man in het water leek in de gaten te hebben gekregen dat een reddingsactie gaande was. Hij hield in elk geval nog steeds de riem stevig in zijn hand terwijl hij met zijn andere hand verwoed zijn best deed het water er onder te houden. Zijn blik was op mij gevestigd. Een misprijzende blik.
‘Meneer,’ riep hij me toe, ‘hij doet niks, hoor!’


Dit verhaal is voorgedragen in het Schrijverscafé Kunstkring Voorst.

Posted in Korte verhalen Tagged with:

Zomerkort

ZomerkortTerwijl de kapster de laatste lokken van de vorige klant wegbezemt gaat hij in de stoel voor de spiegel zitten.
“En, hoe zijn ze kerstdagen geweest?”
“Goed,” antwoordt hij. “Gezellig. Ik heb alle kleinkinderen weer eens gezien.”
“Kerst is altijd een drukke periode” beaamt ze. Ze zet de bezem in de hoek.
“Ik heb alleen jammer genoeg geen sneeuwpop met ze kunnen maken.”
Ze heeft het karretje met haar knipattributen gepakt en terwijl ze met piepende wieltjes naar zijn stoel rijdt hoort hij haar zuchten.
“Je zou inderdaad niet zeggen dat het winter is.”
“Ze zeggen dat het de warmste winter is sinds ze daar bij het KNMI zijn begonnen met meten. Maar dat zegt niet veel, hoor,” bromt hij terwijl ze hem de kappersschort omslaat. “De winter is nog niet voorbij. Februari moet nog komen en met Carnaval is het altijd koud. Dat is zo’n beetje traditie.”
Hij slikt. De boord van de schort beweegt met zijn adamsappel mee. Hij merkt dat ze nog steeds geen schaar uit haar karretje heeft gepakt.
“Ik wordt er best wel een beetje ongerust van, hoor. Dat mag je best weten.” Ze werpt hem via de spiegel een blik toe. “Een hele kerstvakantie zonder sneeuw, zonder dat het ook maar één keer gevroren heeft, dat is toch niet normaal?” Ze rommelt op een doelloze manier door één van de bakjes.
“Och, we hebben wel vaker een groene Kerst gehad.”
Het zoeken naar de juiste kam is gestaakt. Ze heeft haar handen op het bakje met de waterflacon gelegd, een felgekleurde plastic fles die hem nog steeds aan een plantenspuit doet denken.
“Ik weet het niet,” zucht ze. “Misschien komt het door al die aandacht die er aan besteed is. Het is niet de eerste keer dat we tot na Nieuwjaar hebben moeten wachten op sneeuw, maar op de één of andere manier voelde deze Kerst toch anders aan.”
Ze staart in de spiegel, over zijn hoofd heen naar de kranten op de leestafel. Ook daar zullen wel weer artikelen over de klimaattop in Parijs staan. En over de wintersportgebieden zonder wintersporters. Zelfs bij de gesprekken aan de Kerst-dis verdrong het onderwerpen zoals de recente aanslagen en de vluchtelingenstromen naar de achtergrond. Alleen de voetbal wist zich nog naar voren te werken, maar alleen omdat men nogal verontwaardigd was over de geplande winterstop.
Vanaf zijn plaats aan de tafel had hij een mooi uitzicht op de tuin gehad, welke in al zijn groenheid toch in een windstille winterslaap leek te zijn gedompeld. Maar toen de hele familie even haar mond hield voor het gebed had hij vogeltjes horen fluiten.

Naast hem klinkt gerammel. Ze heeft de juiste schaar gevonden.
“En, hoe wil je het deze keer hebben?”
Hij ziet hoe buiten een man voorbij loopt. Zonder handschoenen. Zonder muts.
“Wel,” antwoordt hij, “doe maar zomerkort.”


Dit verhaal is voorgedragen in het Schrijverscafé Kunstkring Voorst.

Posted in Korte verhalen Tagged with:

Star Wars & de geloofwaardigheid van een verhaal

lichtzwaardAls geruime tijd voordat Star Wars – The Force Awakens in de bioscopen verscheen, laaide de discussie over het lichtzwaard van slechterik Kylo Ren op. Het door hem gehanteerde zwaard zou een belachelijk ontwerp zijn. Onrealistisch. Hij zou er eerder mee in zijn eigen handen snijden dan dat hij er zijn tegenstander mee zou verwonden. Ze hadden er veel beter aan gedaan hem zo’n klassiek lichtzwaard te geven.

Maar in hoeverre is authenticiteit werkelijk belangrijk voor de kwaliteit van een verhaal? Moet alles wat we over onze imaginaire werelden vertellen ook in het echt gebeurd kunnen zijn? We hebben het hier wel over verzonnen werelden. Ze bestaan niet echt. Het is al voldoende als je de lezer, of de kijker, het gevoel kunt geven dat binnen het universum van je verhaal het vertelde echt is.

Hoe zorg je er voor dat je lezer niet voortijdig uit de wereld die je hem voorspiegelt ontwaakt? Stel, de cowboy in een door jou geschreven western houdt de veedieven op afstand met pijltjes die hij afschiet met een blaasbalg. Om dit geloofwaardig te maken vertel je de lezer een reden waarom de hoofdpersoon niet gewoon een pistool gebruikt. Vertel bijvoorbeeld dat de kruitmijnen jaren geleden met een enorme knal in rook zijn opgegaan. En heeft de schurk in je SF-verhaal een lichtzwaard met vlak boven de greep vlijmscherpe en dus onpraktische pareerstangen? Dan komt dat doordat hij een autodidact is. Hij heeft nooit een mentor gehad die hem heeft kunnen uitleggen hoe hij zo’n wapen moet hanteren, dus is elke toevoeging die er voor zorgt dat een tegenstander niet al te gemakkelijk zijn handen er af kan hakken een welkome aanvulling.

Eén van de voorstanders van het nieuwe ontwerp is John Brownlee. Hij stelt in zijn artikel voor FastCompagny dat elk voorwerp, dus ook een lichtzwaard, een eigen verhaal vertelt. Terwijl de oorspronkelijke Jedi’s elkaar in een balletachtig aandoende choreografie bevochten, vertrouwt Kylo Ren meer op brute kracht en bloeddorstigheid. Het wapen zegt wat over zijn drager. Kylo’s zwaard doet niet voor niets denken aan een Middeleeuws slagzwaard. Dit verschil aan de kijker duidelijk maken, het liefst zonder al te veel uitleg (show, don’t tell), is belangrijker dan met een wapen te komen dat door het personage om praktische redenen gekozen zou zijn.

En de cowboy met zijn pijltjes? Die heeft als trouwe viervoeter een dromedaris. Waarom? Omdat deze, in tegenstelling tot zijn paard, het gedurende die tocht door de woestijn niet begeven heeft. Daarom. Bovendien is hij niet zo’n in de gestrekte galop-type.

Het artikel van John Brownlee is te vinden op http://www.fastcodesign.com/3039210/in-defense-of-the-new-star-wars-lightsaber.


Dit artikel verscheen ook op SchrijvenOnline.org.

Posted in Schrijftips

Waar inspiratie vandaan komt

Bij M.BOOX is een bundel uitgekomen met daarin een kort verhaal van mij.
Onderstaand stukje heb ik tijdens de boekpresentatie voorgedragen.


BundelSchoonGenoegVoor diegenen onder jullie die nog niet zo thuis zijn in het ambacht van schrijven wil ik wat uitleggen over hoe dit in zijn werk gaat. Hoe schrijf je een verhaal over iets dat niet echt gebeurd is? Of, nog fundamenteler: hoe kom je aan inspiratie?

Het begint vaak met een wandeling. Schrijvers lopen graag. De beste ideeën krijgen ze als ze niet achter hun schrijftafel zitten. Begrijp me niet verkeerd, er wordt heel veel achter de schrijftafel gezeten en zittend aan die tafel wordt heel veel geschreven, maar het begin, de eerste vonk, ontstaat meestal als een schrijver iets anders aan het doen is. Of, zoals John Lennon het in één van zijn liedjes concludeert: “Life is what happens to you while you’re busy making other plans.”
John slaat daarmee naar mijn mening de spijker op zijn kop, dus wandel ik veel. Ik begin altijd in het park dat aan mijn woonwijk ligt. Daar kom ik bomen tegen die er twee eeuwen geleden ook al stonden en uitgelaten honden die ballen achterna zitten. In de muziekkoepel is op elke zonnige zondagmiddag muziek en de rest van de week volgen snotneuzen op stepjes de kamerolifantspaadjes. Ik beklim de dijk die aan de rand van het park ligt en heb daar een prachtig uitzicht in de woonkamers die op de eerste verdieping liggen. Als ik me omdraai geniet ik van het uitzicht dat de bewoners vanuit hun huiskamer hebben: het silhouet van onze stad tegen de Hollandse lucht die boven de rivier hangt. De dijk voert me verder langs de uiterwaarden en langharige koeien die in hoogpollig gras aan het grazen zijn.
Als de dijk afdaalt naar de verharde weg, duik ik de binnenlanden in en ga op in de hegjes, weides met paarden en boerderijen aan eindes van opritten. En op het punt waar ik hemelsbreed het verste van mijn huis verwijderd ben, daar krijg ik Het Idee.

Tijdens de tweede helft van mijn wandeling krijg ik nooit veel van mijn omgeving mee, zeker niet als ik onderweg getrakteerd wordt op een tweede of zelfs derde vonk van inspiratie. Gelukkig leg ik de wandelroute ook af en toe in omgekeerde richting af.

Posted in Schrijftips

Categoriën:

Ultra-korte verhalen

Meer verhalen? Lees mijn FlashFiction op HeelNederlandSchrijft.nl

NaNoWriMo 2015

Dit jaar heb ik tijdens de Novembermaand gewerkt aan mijn novelle "Bamboebos". Waar het verhaal over gaat? Het is iets geworden met panda's, kabouters en cirkelzagen.